In oktober 1939 werd kamp Westerbork door de
Nederlandse regering in gebruik genomen als verblijfplaats voor
Duitse joodse vluchtelingen. Op 1 juli 1942 werd Westerbork
omgevormd tot een doorgangskamp voor joden en viel het kamp onder
de verantwoordelijkheid van de Befehlshaber der Sicherheitspolizei
und der SD. Kampcommandant Gemmeker leidde het kamp. De bewaking
lag in handen van de Nederlandse marechaussee.
Voor vrijwel alle Nederlandse slachtoffers was Westerbork hun
laatste verblijfplaats in Nederland. Bij aankomst werden hun
laatste waardevolle bezittingen in beslag genomen. In Westerbork
woonden de meeste gevangenen in barakken. Er waren ook een klein
aantal woningen. Tussen 15 juli 1942 en 13 september 1944 vertrok
er bijna iedere dinsdag een trein met Nederlandse joden naar het
onbekende Oosten. Op de maandagavond daaraan voorafgaand werd er in
het kamp bekend gemaakt wie er de volgende dag zou worden
gedeporteerd. Om de overgebleven kampbewoners na het transport wat
afleiding te geven, voerden een aantal beroemde podiumkunstenaars
een revue en theater op. Met hun voorstellingen verdienden de
artiesten een vrijstelling van deportatie tot medio 1944, toen
moesten ook zij op transport. Bij de bevrijding van het kamp op 12
april 1945 waren er ongeveer negenhonderd gevangenen in Westerbork.
Velen van hen waren gedurende de laatste oorlogsmaanden opgepakt op
hun onderduikadres.
Westerbork is momenteel een herinneringscentrum met monumenten ter
nagedachtenis aan de slachtoffers en een museum over de
geschiedenis van het kamp.