Op 12 februari 1941 riep de Duitse bezetter in
Amsterdam de vooraanstaande joodse diamantair Abraham Asscher en
twee rabbijnen bij zich. Zij werden geboden een Joodse Raad op te
richten om de Amsterdamse joden te vertegenwoordigen bij de Duitse
autoriteiten. De rabbijnen weigerden. Abraham Asscher nam die taak
op zich en deelde samen met zijn vriend professor David Cohen het
voorzitterschap van de nieuwe raad. Al voor oprichting van de
Joodse Raad bestond er de Joodsche Coördinatie Commissie (JCC)
onder leiding van dr. Lodewijk Visser. Visser stond kritisch
tegenover de houding van de Joodse Raad en vond de raad te buigzaam
jegens de bezetter. De JCC werd door de Duitse bezetter in oktober
1941 ontbonden.
De Joodse Raad daarentegen werd al snel belangrijk omdat joden zich
voor alle dagelijkse en ambtelijke regelingen zich tot de raad
moesten wenden. In de herfst van 1942 werkten 17.500 joden voor de
Joodse Raad. Zij kregen in ruil daarvoor een tijdelijke
vrijstelling van deportatie. Uiteindelijk werden ook deze
medewerkers gedeporteerd. De Joodse Raad werd op 29 september 1943
ontbonden toen de laatste werknemers, waaronder de beide
voorzitters, naar Westerbork werden gedeporteerd.