Bergen-Belsen in Duitsland was aanvankelijk
een kamp voor krijgsgevangenen, maar na april 1943 werden ook
politieke gevangenen en joden hier opgesloten. Tussen 11 januari
1944 en 13 september 1944 vonden er acht transporten uit Westerbork
plaats met circa vierduizend joden. Zij kwamen voornamelijk in het
speciale Sternlager van het kamp; zo genoemd naar de gele sterren
die zij op hun kleding droegen. De joden uit Nederland waren in
vijf groepen onder te verdelen: houders van paspoorten van neutrale
landen, houders van de 120.000 Sperre, houders van een dubbele
nationaliteit, houders van Palestina-certificaten en
diamantbewerkers. Een deel van deze joodse gevangenen zou eventueel
in aanmerking komen voor uitwisseling met Duitse staatsburgers in
geallieerde handen. De laatste maanden voor de bevrijding waren de
leefomstandigheden in Bergen-Belsen zeer slecht. Vele uitgeputte
gevangenen uit andere kampen werden ondergebracht in het overvolle,
vervuilde kamp. In de periode van januari tot aan de bevrijding op
15 april 1945 stierven ongeveer 35.000 gevangen aan ondervoeding,
tyfus en uitputting. Onder hen bevond zich ook Anne Frank.
Na de bevrijding werden de barakken afgebrand wegens
besmettingsgevaar. In 1946 werd een monument ter nagedachtenis aan
de joodse slachtoffers van het kamp opgericht. Vanaf 1966 bevindt
zich op het voormalig kampterrein een documentatiecentrum en
tentoonstelling.